Huis van de Wannseeconferentie
|
|
Geboren in Waldsee (Württemberg) als zoon van een bakker. In 1932 gepromoveerd tot doctor in de rechten. In april 1933 lid van de NSDAP. Als procureur-generaal kabinetschef bij Hans Frank, rijksminister zonder portefeuille. In 1939 hoofdambtenaar bij het ministerie, in december 1939 kabinetschef bij de gouverneur-generaal Hans Frank in Krakau. In maart 1940 staatssecretaris van Frank en vanaf juli 1941 zijn plaatsvervanger. Medeverantwoordelijk voor de karakterisering van de joden, het oprichten van getto´s, de “buitengewone pacificatieactie” in mei en juni 1941, waarbij 3.500 Poolse intellectuelen worden vermoord. Op 20 januari 1942 ‘s morgens privé-gesprek tussen Heydrich en Bühler. Bühler dringt er tijdens de Wannseeconferentie op aan dat “met de Endlösung van het jodenvraagstuk in het Generaal-gouvernement Polen zou worden begonnen, omdat daar transportproblemen slechts een ondergeschikte rol spelen en omdat het inzetten van werkkrachten het verloop van de actie niet zou afremmen”. In 1942 deelnemer aan de voorbereidingen van de Duitse vestigingen nabij Lublin en Zamosc, alsook van de deportatie vanuit Polen voor dwangarbeid in Duitsland. In januari
1945 vlucht uit Krakau. In april 1945 getuige voor
Frank voor het internationale militaire gerechtshof in Neurenberg. Daarna uitgeleverd aan Polen. In juli 1948 in
Krakau ter dood veroordeeld en in augustus 1948 terechtgesteld. |
Als zoon van een boekhouder in Solingen geboren. Hij breekt zijn studies af en is tussen 1925 en 1927 achtereenvolgens verkoper en handelsvertegenwoordiger. In april 1932 lid van de NSDAP en de SS. In 1933 militaire opleiding. In de herfst van 1934 werkzaam op de Veiligheidsdienst van de SS (SD) in Berlijn, vanaf 1935 in de afdeling II / 112 (jodendom). In 1938 en
1939 hoofd van de Centrale Bureaus voor joodse emigratie in Wenen en Praag.
In 1939 ontwerpt hij plannen voor een “jodenreservaat” in het Poolse Nisko bij de
rivier San. Vanaf december 1939 afdelingschef van de
sectie IV B 4 (jodenaangelegenheden, evacuatie). In
augustus 1941 bezoekt hij Auschwitz en bespreekt hij de plannen voor deportatie en uitroeiing.
In november 1941 SS-majoor. Op 19 januari
1942 bezoekt hij het getto van Theresienstadt, de volgende dag brengt hij verslag uit op de
Wannseeconferentie. Tussen 1942 en 1944 coördinator
van de deportaties van en de massamoord op miljoenen mensen. In
maart 1944 als chef van het “Speciale Commando Eichmann” naar Boedapest om de deportatie
van meer dan 437.000 joden voor te bereiden. Begin
mei 1945 camoufleert hij zich als luchtmachtkorporaal. Hij
wordt gevangen genomen maar ontsnapt. Onder een valse
naam als bosbouwarbeider nabij Celle. In 1950 vlucht
hij via Italië naar Argentinië. In mei 1960 ontvoerd
door leden van de Israëlische geheime dienst. In
december 1961 in Jeruzalem ter dood veroordeeld en op 31 mei 1962 terechtgesteld. |
Geboren in
Celle als zoon van een ingenieur. In augustus 1914
militaire dienst als vaandrig. In oktober 1915
krijgsgevangene in Rusland. Hij heeft nauwe contacten
met de bolsjewieken. In 1920 keert hij terug naar
Duitsland. In 1922
gepromoveerd tot doctor in de rechten in Jena. Vanaf
1924 advocaat in Kassel en gemeenteraadslid voor het Nationaal-Sociaal Blok.
In 1925 lid van de NSDAP. Voor deze partij
voortdurend actief in politieke strafzaken. In maart
1933 deelnemer aan de bestorming van het stadhuis en het gerechtshof van Kassel.
Aangesteld als directeur-generaal in het Pruisische Ministerie van Justitie.
Vanaf juni 1933 staatssecretaris. In juni 1934
staatssecretaris van het gefusioneerde Pruisische en Rijksministerie van Justitie, onder
andere bevoegd voor personeelszaken, strafwetgeving en -uitvoering.
In 1939 dringt Freisler aan op verscherpte wetgeving en een sterker gewicht van de
speciale rechtbanken als militaire rechtbank voor berechting volgens het standrecht aan het
thuisfront. Hij neemt deel aan de Wannseeconferentie
namens de staatssecretaris Franz Schlegelberger die met de leiding van het Rijksministerie
voor Justitie belast is. In 1942 benoemd tot voorzitter
van de rechtbank voor Hoog- en Landverraad. Voorzitter
bij meer dan 1.200 processen tegen politieke tegenstanders die bijna allemaal eindigen met
doodvonnis. Sterft op 3 februari 1945 bij een
luchtaanval op de rechtbank voor Hoog- en Landverraad in Berlijn. |
In Halle geboren als zoon van een componist en directeur van het conservatorium. Katholiek Gymnasium, in 1920 strijder van het vrijwilligerskorps. In 1922 bij de marine. In 1926 luitenant-ter-zee, verbindings- en radio-officier. In 1931 oneervol ontslag als eerste luitenant-ter-zee. In 1931 toetreding tot de NSDAP en de SS. In juli 1932 opdracht van Himmler voor het uitbouwen van de SD (Veiligheidsdienst) om politieke tegenstanders te bespioneren. In april 1933
chef van de politieke politie in Beieren. In april 1934
baas van de Geheime Staatspolitie in Berlijn. In
januari 1935 chef van het SD-hoofdbureau. In juni 1936
chef van de Veiligheidspolitie. In oktober 1939 chef van het Hoofdbureau voor de Rijksveiligheid.
In april-mei 1940 gevechtspiloot. Hij geeft in
juni 1941 het bevel aan de “speciale eenheden” om de pogroms en de executies in de
Sovjet-Unie uit te voeren. Einde juli 1941 draagt Göring
hem op een totale oplossing van het jodenvraagstuk voor te bereiden.
September 1941 waarnemend en zittend rijksprotector van Bohemen en Moravië.
Op de Wannseeconferentie leest hij een rapport over de planning van de massamoord op 11
miljoen joden door deportatie “naar het oosten”. Tezelfdertijd
vraagt hij om “conforme ondersteuning” door de ministeries die op de conferentie zijn
vertegenwoordigd. Op 27 mei 1942 slachtoffer van een
aanslag door Tsjecho-Slovaakse weerstanders in Praag. Op
4 juni 1942 gestorven aan de gevolgen van die aanslag. |
Als koopmanszoon in Innsbruck geboren. Oorlogsvrijwilliger in 1914 en luitenant in maart 1917. Krijgsgevangene in Rusland in juni 1917. Ontsnapt in augustus. Aansluitend opgeleid als piloot. In 1919 gedemobiliseerd en van 1920 tot 1925 werkzaam bij een groothandelaar in wijn, daarna zelfstandige vertegenwoordiger in wijn. In april 1923 bij de NSDAP, in april 1931 bij de SS en vanaf 1933 voltijds SS-leider. In 1934 leider van de 21e SS-Standaard (Maagdenburg), in 1935 van de SS-afdeling XV in Hamburg. In 1939 leider van het Bureau voor Genealogie in het Hoofdbureau voor Rassen en Vestiging (RuSHA), in 1940 leider van het RuSHA en verantwoordelijk voor de Duitse nederzettingen in het bezette Polen, de “germanisatie” van Poolse kinderen en SS-zorg voor genealogie (Sippenpflege). In april 1941 SS-groepscommandant. Op de Wannseeconferentie eist hij de sterilisatie van de “Mischlinge”. In april 1943 leider van de hoofdsector Zuidwest en hogere SS- en Politiechef in Württemberg, Baden en de Elzas. In juni 1943 luitenant-generaal van de SS en de politie. In juli 1944 generaal van de Waffen-SS. Bevelhebber van de krijgsgevangenen in de defensiesector V (Zuidoost). In het proces
van Neurenberg (maart 1948) tegen het RuSHA wordt hij tot een gevangenisstraf van 25 jaren
veroordeeld voor misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden.
In 1954 krijgt hij genade en wordt hij uit de gevangenis van Landsberg vrijgelaten.
Daarna kantoorbediende in Württemberg. Eind
1982 overleden. |
Als
landbouwerszoon geboren in Schreibersdorf bij Lauban (Silezië).
Tijdelijke vrijwilliger in 1923. In 1923
gepromoveerd tot doctor in de rechten. In 1931
vrederechter in Düsseldorf. In april 1933 lid van de
NSDAP en de SA. Eind 1933 afdelingschef in het Pruisische Ministerie van Landbouw, in 1934 in het
Bureau van de Geheime Staatspolitie. In april 1935
overgeplaatst naar de staf van de “plaatsvervanger van Hitler”, Rudolf Hess.
In 1935 lid van de SS en sectiechef van de staf Hess. In
1936 hoogste regeringsambtenaar, in 1938 hoofdambtenaar bij het ministerie.
Als dusdanig belast met de onteigening van joodse ondernemingen.
In 1939 SS-kolonel en ministeriële verslaggever. In
1941 directeur-generaal en chef van de staatsrechtelijke afdeling van de nieuwe
partijkanselarij van de NSDAP onder Martin Bormann. Verantwoordelijk voor onder andere rassen- en volksaardvraagstukken, economische
politiek, samenwerking met de RSHA en fundamentele problemen in verband met
bezettingspolitiek. Op 20 januari 1942 deelnemer aan de
Wannseeconferentie. In 1943 als staatssecretaris in de
partijkanselarij medeverantwoordelijk voor de verdere beperking van rechten van “gemengde
huwelijken”. In 1944 SS-groepscommandant. In 1945 uit
Berlijn. Daarna geïnterneerd.
Na zijn vrijlating in 1949 door de hoogste denazificatierechtbank in Neurenberg als
“minder belast” verklaard. In 1952
belastingsadviseur, in 1956 advocaat in Ulm. In 1962
vrijgesteld van verdere wettelijke vervolging wegens deelname aan de Wannseeconferentie door
het Openbare Ministerie van Ulm. In februari 1987 in
Ulm gestorven. |
Zoon van een
dominee in Grünfier (Netzedistrict). Studeert recht.
Van 1914 tot 1918 aan het front, op het einde als onderluitenant.
Van 1918 tot 1920 krijgsgevangene in Frankrijk. In
1921 wethouder, daarna werkzaam in het Rijksministerie van Justitie.
In 1925 en 1926 raadslid van het arrondissementsgerecht in het Pruisische
Handelsministerie. In 1926 weer werkzaam bij het
Rijksministerie van Justitie. In 1930 hoofdambtenaar
bij het ministerie. In 1934 behulpzaam bij het
opstellen van een wet die de moordacties van 30 juni 1934 (Nacht van de lange messen)
legaliseert. In 1935 en 1936 heeft hij verschillende
bevoegdheidsconflicten met de Gestapo aangaande de preventieve hechtenis (ter bescherming van
de staatsveiligheid). Op eigen verzoek daarom in 1938
overgeplaatst naar de rijkskanselarij. Daar werkzaam als directeur-generaal en afdelingschef. Lid
van de NSDAP. In 1939 en 1940 hulp bij het opstellen van besluiten tegen de “volksparasieten”
(Volksschädlinge), alsook het 11e besluit aangaande de wet van het
rijksburgerschap, de basis voor de confiscatie van het vermogen van Duitse joden voor hun
deportatie. Op 20 januari 1942 deelnemer aan de
Wannseeconferentie. Kort daarop onderstaatssecretaris.
In november 1942 staatsecretaris op de rijkskanselarij.
Verantwoordlijk voor de vijf afdelingen. Eveneens
medeverantwoordelijk voor het verder rechteloos maken van de joden.
In april 1945 gevlucht uit Berlijn. In 1945
staatssecretaris in de regering Dönitz in Flensburg. Geïnterneerd
in Bruchsaal. In april 1946 vrijgelaten, in december
1946 opnieuw gearresteerd. Tijdens de ondervraging in
Neurenberg toont hij zich uiterst beschaamd over de misdaden van de nazi's.
Kort voor zijn dood in oktober 1947 uit de gevangenis vrijgelaten. |
Geboren in
Weisswasser (district Liegnitz) als zoon van een bouwkundig ingenieur bij de Rijksspoorwegen.
Studeert rechten. In 1933 bij de Gestapo in Halle. In november
1933 toetreding SA. In 1934 promotie tot doctor in de
rechten. In 1936 werkzaam bij de Geheime Staatspolitie. In
1937 lid van de NSDAP en de SS. In 1938 bij de Gestapo
in Wenen. In 1939 hogere regeringsambtenaar bij de
Gestapo Stuttgart. In september 1940 SS-kapitein, chef
van de Gestapo Weimar en Erfurt. In 1940 adjunct-chef van de Gestapo Berlijn. In
1941 majoor van de SS-eenheid. In juni 1941 met de
“Speciale Eenheid A” naar Riga, daar in juli 1941 chef van de Gestapo en Kripo.
Overname van de Mobiele Eenheid 2, die tot december 1941 ongeveer 60.000 Letlandse en
naar Riga gedeporteerde Duitse en Oostenrijkse joden vermoordt.
In december 1941 bevelhebber van de Veiligheidspolitie en de SD in Letland.
Deelnemer aan de Wannseeconferentie als man van de praktijk aangaande massamoorden.
Hij is de vertegenwoordiger van de hogere SS- en politiechef Noord-Rusland en Oostland,
de SS-luitenant-generaal, Friedrich Jeckeln. Hij leidt
verder moordoperaties tegen joden, politieke tegenstanders en Letlandse partizanen, vanaf 1942
ook met gaswagens. In 1943 hoogste regeringsambtenaar
en SS-majoor. Vanaf oktober 1944 bevelhebber van de
Veiligheidspolitie en de SD in de “Warthegouw”. In
januari 1945 SS-kolonel. In 1945 gedood bij een
poging zijn hoofdkwartier in Poznan te heroveren. |
| . | volgende biografien | . | . | . |