Huis van de Wannseeconferentie
De Holocaust
Dictatuur in Duitsland
Dictatuur in Duitsland
Op 30 januari 1933 nemen Adolf Hitler en zijn aanhangers met behulp van de conservatieve rechtse partijen de macht over. Ze zijn vastbesloten die te misbruiken en haar nooit meer uit handen te geven. Dat de republiek nu wordt overgeleverd aan haar vernietigers betekent enkel het eindpunt van een ontwikkeling die al veel eerder begonnen was.
De radicaal-nationale beweging die zichzelf de “Nationaal-socialistische Duitse Arbeiderspartij” (NSDAP) noemt, heeft geen eigen programma. Ze is antikapitalistisch maar haar “wereldbeschouwing” omvat alle reactionaire tendensen van die tijd.
Het nieuwe aan de NSDAP is vooral de agressieve stijl van haar propaganda, die gebruik maakt van alle moderne reclamemiddelen, haar militaire organisatie als militante gevechtspartij en haar totalitaire aanspraak op een leidende positie, op een ongedeelde macht in de staat. Dat alles maakt haar tot de toonaangevende kracht van de antiparlementaire oppositiebeweging.
Op alle gebieden sluit ze zich aan bij het anti-informatieve en anti-emancipatorische denken. Haar radicaal antisemitisme is gebaseerd op de theorie van het “blanke superras” dat voorbestemd is voor de heerschappij; deze theorie is ontwikkeld ter rechtvaardiging van het Europese kolonialisme.
Uit de tijd rond de eeuwwisseling stammen ook de mythe van het “Arische bloed” als basis voor een Duitse volksgemeenschap die alle klassenverschillen overbrugt, de aanspraak op de leidinggevende rol in de wereldpolitiek, de aanspraak op “levensruimte” in het Oosten en de eliminatie van de joden. Er is zelfs bij vele verenigingen al een “Ariërparagraaf” die de joden uitsluit van lidmaatschap. Zowel in het Keizerrijk als in de Weimarrepubliek verkondigen de voorlopers van het racisme de ideeën die na 1933 staatsdoctrine en wet worden.
Ze zijn bang voor het moderne kapitalisme en voor de arbeidersbeweging. Ze zijn teleurgesteld dat ze de Eerste Wereldoorlog verloren hebben. Ze dromen over een nieuwe militaire kracht en een nationale grootheid. Deze gevoelens zijn wijdverspreid en kunnen door de NS-propaganda worden gebruikt. Een traditionele opvoeding volgens de hiërarchische principes van de autoritair geregeerde staat brengt velen in de waan dat de eis om een autoritaire staat op te richten niet meer is dan een terugkeer naar de normale gang van zaken.
Hitler treft met zijn woorden de geest van de tijd en vindt gehoor bij de massa. Hij ervaart ook steun bij grote delen van de heersende elite in staat en economie. Zij hebben de Weimarrepubliek nooit geaccepteerd en zien in zijn heerschappij hun belangen het beste behartigd. Hitler kan de democratie afschaffen omdat te weinig mensen bereid zijn haar te verdedigen.
De machtsovername door een ultrarechtse regering, de oprichting van een dictatuur en de anti-joodse wetten confronteren het Duitse jodendom met een nog nooit geziene historische situatie. Met het oog op de druk van buitenaf besluiten een aantal partijen zich te verenigen, niettegenstaande ze zowel op politiek als op religieus vlak erg verschillen. Conservatieven en liberalen, geïntegreerde joden en zionisten richten samen de “Rijksvertegenwoordiging van de Duitse joden” op. Zij staat voor totaal nieuwe opdrachten, waarvan het aantal enorm snel toeneemt en die steeds moeilijker op te lossen zijn.
Gedurende de 5 jaren dat Hitler tot aan de novemberpogrom aan de macht is, kondigen ministeries en overheden, beroepsorganisaties en openbare instellingen in het Rijk, in de deelstaten en in gemeentes meer dan 1200 wetten, decreten en besluiten, instructies, regels en uitvoeringsbepalingen af. Al deze maatregels beperken steeds meer de levensrechten van de joden in Duitsland
De uitsluiting uit het economisch leven, in de eerste plaats door het beroepsverbod en later door de “arisering”, de gedwongen verkoop van hun bezittingen, ontneemt de joden geleidelijk aan hun bestaansbasis. Van 1933 tot 1939 verliest twee derde van de werkende joden zijn job. In 1935 is al een derde van de joden op hulp aangewezen. Er wordt een centrale commissie voor hulp en wederopbouw (Zentralausschuss für Hilfe und Aufbau) opgericht die de economische en sociale zelfhulp organiseert. In heel Duitsland worden vestigingen geopend die de werklozen proberen te helpen door advies, leningen, arbeidsbemiddeling en beroepsherscholing. De bestaande sociale en culturele instellingen moeten worden uitgebreid en er moeten ook nieuwe instellingen worden opgericht. Zij helpen de vervolgden om hun leven opnieuw op te bouwen. De Joodse Cultuurbond wordt opgericht. De joodse pers, die vóór 1933 slechts door weinig joden gelezen wordt, krijgt er een nieuw publiek bij. Een groot netwerk wordt opgericht om hulp te verlenen, om nood te lenigen en de vervolgde joden hun zelfrespect en levensmoed terug te geven.
Men organiseert de emigratie van de jonge generatie. Tegelijkertijd hoopt men nog steeds dat het voor diegenen die niet kunnen emigreren mogelijk is om verder te leven zoals vroeger, met hun eigen levensgewoonten. Volledige isolatie is wel de prijs die ze daarvoor moeten betalen. Later zal men spreken van een “wederopbouw in ondergang”, een heldhaftige poging die uiteindelijk wel moest mislukken. Het blijft een indrukwekkend getuigenis van de sterke levenswil en de sociale verantwoordelijkheid van het Duitse jodendom.
Voor de oorlog
Het begin van het nazi-bewind wordt gekenmerkt door de vernietiging van de rechtsstaat en door het verbod op alle democratische organisaties en door de fysische vervolging van hun aanhangers die worden vermoord, gearresteerd of verbannen. Binnen het jaar is de nazificatie (‘Gleichschaltung’) een feit en alle sleutelposities worden door nieuwe mensen bekleed. In de zomer van 1934, na de dood van Hindenburg, wordt Hitler staatshoofd en opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten. Zijn macht is nu absoluut.
Verblind en misleid door een centraal gestuurde propaganda geloven velen in de beloftes van de nazi’s en ze nemen hun slogans over. Maar ook diegenen die het nieuwe beleid niet toejuichen, houden zich netjes aan de regels zonder dat er geweld aan te pas komt. Op deze manier helpen zij eigenlijk mee aan de oprichting van de dictatuur. De onderdanige mentaliteit is sterker dan de zin voor democratie die sinds 1918 in het verslagen land niet echt ingeburgerd raakte.
Het antisemitisme blijkt de demagogische formule bij uitstek, het is een verklaring voor alle maatschappelijke problemen. Na het doorvoeren van de stelling dat de joden de schuld van alles zijn, is het voldoende om ongewenste ideeën, personen of instellingen als joods te bestempelen om elke actie tegen hen te rechtvaardigen. Het marxisme, de parlementaire democratie, de Volkerenbond en de sociaal-democratie gelden in dit opzicht allemaal als joodse creaties. Of het nu gaat om het bannen van moderne kunst en literatuur of om het criminaliseren van democratische partijen en vakbonden, de antisemitische slogans bieden steeds een verklaring.
Nu niemand zich nog openlijk tegen hem kan verzetten, richt Hitler zich op de twee doelen die hij al van in het prille begin in het hoofd had: de strijd tegen de joden en de voorbereidingen voor een veroveringsoorlog. De rassenwetten van Neurenberg, die het Europese principe van gelijkheid van alle burgers voor de wet tegenspreken, zijn nog maar een begin. Deze ontwikkeling bereikt haar eerste hoogtepunt in november 1938 tijdens de Rijkskristalnacht (Reichskristallnacht), een pogrom opgezet door de staat. Het gevolg hiervan is een geheel nieuwe reeks, nog strengere, anti-jodenwetten. Mannen en vrouwen van wie de families al eeuwenlang in Duitsland wonen, worden gedwongen hun vaderland te verlaten. Maar alleen zij die over zee vluchten, zijn buiten gevaar.
Op 30 januari 1939 waarschuwt Hitler tijdens een toespraak op de rijksdag (‘Reichstag’) dat een eventuele oorlog - en die kwam er datzelfde jaar nog - de “vernietiging van het joodse ras in Europa” zou worden.
Oorlog in Polen
In de vroege herfst van 1939 valt de beslissing. De aanzet hiertoe vindt men reeds in het verdrag van München. Hoewel Hitler dit verdrag ondertussen heeft geschonden en het Duitse leger Tsjecho-Slovakije is binnengevallen, mislukken de onderhandelingen tussen de Sovjet-Unie en de Westelijke mogendheden over een gemeenschappelijke waarborg voor Polen. Tot verrassing van de hele wereld sluiten de onverzoenlijke vijanden kort hierna in Moskou en Berlijn een niet-aanvalsverdrag. In een geheim aanvullend protocol verdelen ze hun “invloedsgebieden” in Oost-Europa. Stalin meent aanvankelijk dat hij zo het gevaar voor een Duitse aanval voorlopig heeft afgewend. Duitsland heeft nu vrij spel om Polen binnen te vallen zonder een conflict met de Sovjet-Unie te riskeren.
Op 1 september verklaart Hitler de oorlog aan Polen. Deze oorlog heeft hij vanaf 1934 voorbereid met een systematische herbewapening en met de militarisering van de hele maatschappij. De aanval op Polen is de eerste stap naar de verovering van “leefruimte” in het oosten van Europa. Amper twee jaar later volgt de tweede, beslissende etappe: de aanval op de Sovjet-Unie. In minder dan vier weken tijd is Polen verslagen. De Sovjet-Unie bezet de westelijke gebieden van Wit-Rusland en Oekraïne die zij in 1920 aan Polen moest afstaan en onderwerpt hen aan haar heerschappijsysteem. Duitsland annexeert de westelijke Poolse provincies. Centraal-Polen wordt onder Duits bezettingsrecht geplaatst en tot Generaal-gouvernement uitgeroepen. Twee van de drieënhalf miljoen Poolse joden vallen in Duitse handen, meer dan een kwartmiljoen vlucht naar de sovjetzijde.
De Duitse heerschappij in Polen is uiterst brutaal. Alle mogelijke represailles zoals het neerknallen van gijzelaars, de vervolging van de intelligentsia, de preventieve massa-arrestaties van alle potentiële vijanden en hun onderbrenging in concentratiekampen, de deportatie van honderdduizenden naar Duitsland om er dwangarbeid te verrichten en de economische plundering van het land voor de Duitse oorlogseconomie, al deze dwangmaatregels treffen Polen zwaar.
Het lot dat de joodse bevolking te wachten staat is nog veel erger. Na de gewelddadige terreur, de kwellingen, de plunderingen en de pogroms van de eerste weken volgt een bestuursoorlog. De wetten en voorschriften zijn voor het grootste deel reeds vanuit Duistland bekend: kenbaar maken van alle joden en hun bedrijven, aangifte van hun vermogen, invoering van dwangarbeid, verblijfsverboden voor bepaalde stadsdelen en uitsluiting van het openbaar vervoer. Bankrekeningen worden geblokkeerd, bezittingen worden “verduitst” of onder sekwester geplaatst. Een jaar na de Duitse invasie begint de “evacuatie” naar de getto’s.
De getto’s
In 1940 worden op bevel van de Duitse overheid overal in het bezette Polen getto's opgericht. Arme stadsdelen, waarin toch al vele joden wonen, worden tot “joodse woonwijken” uitgeroepen. Alle joden moeten naar die wijken verhuizen, alle anderen moeten er weg. Wanneer de “evacuatie” is beëindigd, wordt het getto door de politie vergrendeld en door een omheining of een muur omsloten. Wie probeert het te verlaten, riskeert de doodstraf of executie ter plaatse door de bewakers. De twee grootste getto's zijn Lodz (Litzmannstadt) in de geannexeerde “Warthegouw” (160 000 inwoners) en Warschau in het “Generaal-gouvernement” (450 000 inwoners).
De joodse raden trachten vergeefs een functionerend sociaal leven te organiseren en de voedselvoorziening te verzekeren. Ze zijn onderworpen aan het gezag van de Duitse burgeradministratie, deze ressorteert op haar beurt onder de Gestapo. De getto's zijn niet in staat in hun eigen levensonderhoud te voorzien. In die getto's waar Duitse bedrijven zich vestigen vanwege de goedkope arbeidskrachten, zoals in Warschau, kunnen ze slechts een minderheid tewerkstellen. Smokkelen, met gevaar voor eigen leven, wordt een absolute noodzaak. In Lodz, waar iedereen verplicht is te werken maar smokkel onmogelijk is, heerst er ook hongersnood. De armoede breidt zich uit, de sociale tegenstellingen verscherpen. Dappere mensen proberen via sociale en culturele activiteiten hun eigen menselijke waardigheid en die van anderen te behouden, maar de ondergang is onvermijdelijk.
Het isolement van de buitenwereld en de gebrekkige voorzieningen leiden tot een groeiende verpaupering van de gettobevolking. De overbevolkte huizen, de voortdurende ondervoeding en de rampzalige sanitaire omstandigheden veroorzaken een massale sterfte. Alleen al in het getto van Warschau vinden 96.00 mensen de dood.
In januari 1942 begint de SS met de deportaties naar de vernietigingskampen. De emigratie start in de Warthegouw en zet zich midden maart voort in het Generaal-gouvernement. Allereerst worden de opvangtehuizen voor daklozen, de bejaarden- en kindertehuizen, de gevangenissen en de ziekenhuizen leeggemaakt. Op 22 juli is Warschau aan de beurt. Aanvankelijk probeert men de uitgehongerden met brood en jam te lokken. Al gauw is echter brutaal geweld nodig om de angstige mensen bijeen te drijven en aan het bevolen contingent van 5 000 slachtoffers per dag te kunnen voldoen. Na een week wordt de joodse Ordedienst afgelost door SS-vrijwilligers. Een barbaarse mensenjacht begint, waarbij straat na straat, blok na blok wordt geruimd. Tot in september 1942 worden uit Warschau 310 000 mensen gedeporteerd. De enigen die voorlopig gespaard blijven zijn de arbeiders, en hun families, die werken in bedrijven die van belang zijn voor de oorlog. In april 1943 wordt het getto definitief geliquideerd. Een overblijfsel van het getto in Lodz blijft nog bestaan tot augustus 1944.
Massa-executies
Op 22 juni 1941 valt het Duitse leger op bevel van Hitler de Sovjet-Unie binnen. Dit is het begin van een nooit geziene veroverings- en vernietigingsoorlog, waarin meer dan 27 miljoen sovjetburgers de dood vinden. Het is tegelijkertijd ook het voorspel van de volkerenmoord op de joden in Europa. Hier voert men het uitroeiingsprogramma onmiddellijk en ter plaatse uit.
In elke stad die de Duitse troepen veroveren, organiseren de Veiligheidspolitie en de Veiligheidsdienst bloedige pogroms. Daarna geeft het militaire bestuur het bevel de joden te registreren en kenbaar te maken. Meestal beginnen de massa-executies al enkele dagen of weken na de invasie. De joden worden d.m.v. affiches opgeroepen tot evacuatie en samengebracht. Daarna worden ze te voet of per vrachtwagen de stad uitgebracht.
Communisten, partizanen, zigeuners en krankzinnigen wacht hetzelfde lot. De executiecommando’s wachten aan een ravijn of een tankgracht die ter verdediging tegen de Duitse invasie uitgegraven is. Horloges, trouwringen en muntstukken worden in emmers verzameld. Vaak moeten de slachtoffers hun eigen graf delven. Ze worden gedwongen zich uit te kleden en in het graf op de doden te gaan liggen om dan zo de kogel te krijgen.
Vier commandogroepen van het hoofd van de Veiligheidspolitie- en dienst die de strijdende troepen overal op de voet volgen, doorkammen de veroverde gebieden van de Sovjet-Unie van de Oostzee tot aan de Zwarte Zee.
Commandogroep A opereert in de Baltische staten en het district Leningrad, groep B in Wit-Rusland en in het gebied voor Moskou, groep C in Oekraïne, groep D in Zuid-Oekraïne, de Krim en de Kaukasus.
De 18 mobiele eenheden en speciale commandogroepen worden door plaatselijke hulptroepen versterkt. Individuele aanhangers maar ook volledige eenheden van het leger en de geüniformeerde politie nemen aan de moordpartijen deel.
Na de oprichting van de rijkscommissariaten ‘Ostland’ en Oekraïne zetten de plaatselijke SS- en politieleiders het bloedige werk van de commandogroepen voort. Vanaf november 1941 worden ook gaswagens gebruikt.
Waar het leger werkkrachten nodig heeft, worden diegenen die in staat zijn om te werken nog een tijdje gespaard. In Vilnius, Kaunas, Riga, Minsk en andere sovjetsteden bestaan de getto’s nog tot in de zomer van 1943. Daarna worden hun inwoners ook doodgeschoten of naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd.
Deportaties
In alle door de Duitse weermacht bezette landen van Europa en geallieerde staten herhaalt zich dezelfde tragedie. Het begint met de registratie, de merking en het rechteloos maken van de joden en het eindigt met het wegvoeren naar de vernietigingskampen. De deportaties beginnen eind 1941 in Duitsland en Polen, verspreiden zich tijdens de voorzomer verder over West-Europa en bereiken twee jaar later een laatste hoogtepunt met het deporteren en vermoorden van Hongaarse joden. Alles wordt door middel van voorschriften geregeld en verloopt strikt volgens plan. Men krijgt schriftelijke instructies over wat en hoeveel men mag meenemen: een rugzak met proviand voor onderweg, een eetkommetje en een lepel, geen messen of scharen, twee dekens, beddenlinnen, warme kleding en stevige schoenen. Maximumgewicht 25 kg. Waardevolle voorwerpen en huissleutels moeten worden afgegeven, bijkomend bezit moet worden aangemeld.
Op straat wacht reeds een vrachtwagen die naar het verzamelkamp of direct naar het station rijdt. Aan het laadperron staat een trein, 20 goederenwagons waarvan de luiken met prikkeldraad dichtgenageld zijn en twee personenwagens voor de bewakers. Zo'n transport bevat 1 000 mensen. Deze treinen vertrekken meerdere malen per week uit stations van over heel Europa: uit Berlijn en Warschau, Amsterdam en Parijs, Praag en Boedapest, Oslo en Athene. Vaak duurt de reis verscheidene dagen en nachten. Oververmoeid, vuil, dorstig en wanhopig reizen de gedeporteerden naar onbekende oorden waarvan de namen nu wereldwijd gekend zijn.
In het begin gaven de mensen nog gevolg aan het bevel om zich met hun bagage voor emigratie te melden. Om hen te misleiden vertelt men hun dat ze naar Polen worden gebracht om daar te werken. Maar wanneer de eerste geruchten uit de kampen doorsijpelen, proberen de jongeren onder te duiken. Onder de ouderen en de zieken stijgt het aantal zelfmoorden. Al diegenen die niet vrijwillig naar de verzamelplaats komen, worden door de politie opgehaald. Tijdens razzia’s worden volledige stadswijken uitgekamd om de goederentreinen te vullen. De organisatie van de mensenjacht ligt in de handen van het Hoofdbureau van de Rijksveiligheid. Het Rijksministerie van Verkeer en de Duitse Rijksspoorwegen die daarvan afhangen, stellen de treinen ter beschikking en werken de dienstregeling uit. Net zoals in Duitsland zijn er ook in de bezette landen genoeg gewillige helpers.
Wanneer diplomatieke overwegingen nodig zijn en de schijn nog moet worden hooggehouden, neemt Buitenlandse Zaken de onderhandelingen voor zijn rekening om tot een schikking te komen. Vele staten die aanvankelijk de anti-joodse wetgeving uit Duitsland hadden overgenomen, zwichten niet of slechts aarzelend voor de Duitse drang. Vaak leveren ze alleen buitenlanders of staatlozen uit die op hun vlucht voor het Duitse leger daar zijn beland. Maar voor de meeste joden in het bezette Europa is er geen redding.
Doorgangskampen
Nadat ze zijn geregistreerd en gemerkt, worden de joden overal samengebracht. De concentratie van joden gaat de deportatie naar de dood vooraf.
In West-Europa, waar geen bewaakte getto’s zijn zoals in Polen of in de ex-Sovjet-Unie, worden de slachtoffers voor het wegvoeren gedurende korte of lange tijd in verzamelkampen geïnterneerd. Meestal zijn dit kampen die nog voor het begin van de oorlog werden gebouwd voor de opvang van vluchtelingen uit Duitsland. In Nederland, Frankrijk, Hongarije en Roemenië bestaan ze al voor de Duitse inval. In België, Italië en Joegoslavië ontstaan ze pas later.
Het merendeel van deze kampen bevindt zich in Frankrijk. Daarin komt een half miljoen vluchtelingen uit Spanje terecht: Spaanse burgers, soldaten en talrijke leden van de internationale brigades. Zij zoeken asiel in hun buurland na de overwinning van Franco.
Eind 1939 worden hier duizenden Duitse en Oostenrijkse antifascisten, alsook alle joodse vluchtelingen uit Duitsland als “vijandige buitenlanders” geïnterneerd.
Na haar nederlaag gebruikt de Franse regering deze plaatsen als verzamelplaatsen voor buitenlandse joden die later van hieruit naar de vernietingingskampen in Polen worden gedeporteerd. Deze kampen worden de wachtzalen van de dood.
Aanvankelijk vallen ze onder de bevoegdheid van het Ministerie van Defensie; na de capitulatie onder die van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De Franse politie neemt nu de bewaking over van het leger. De omstandigheden zijn bijna overal erbarmelijk. Slecht voedsel, gebrek aan drinkwater, bouwvallig onderkomen en primitieve hygiënische omstandigheden zijn kenmerkend voor alle kampen. In enkele kampen breken epidemieën uit. In Gurs alleen al sterven bijna 1 200 mensen. In sommige andere landen zijn de levensomstandigheden van de geïnterneerden beter, maar allen wacht hetzelfde lot.
Namen als Westerbork en ‘s-Hertogenbosch in Nederland, Mechelen in België en Fossoli in Italië, als Les Milles en Le Vernet, Rivesaltes en Saint-Cyprien, als Compiègne, Pithiviers en Beaune-la-Rolande, Gurs en Drancy in Frankrijk zijn onlosmakelijk verbonden met de tragedie van het Europese jodendom.
Vernietigingskampen
Op Pools grondgebied ontstaan de vernietigingskampen waarin naast de Poolse joden ook vele gedeporteerden uit West-Europa vermoord worden. Chelmno, waar de massamoord reeds op het einde van 1941 met drie mobiele gaswagens begint, wordt een kerkhof van de joden uit de “Warthegouw”.
Tussen maart en juli 1942 worden in Belzec, Sobibor en Treblinka nog meer uitroeiingskampen gebouwd. Ze zijn bestemd voor de “Actie Reinhard”, zo wordt namelijk de uitroeiing van de joden uit het Generaal-gouvernement na Heydrichs dood genoemd. Odilo Globocnik, de SS- en politiecommandant in het district Lublin, wordt door Himmler met de uitvoering hiervan belast. Hij heeft een groep van 450 personen ter beschikking, waaronder 92 experten die reeds meewerkten aan de eerste “euthanasie”-actie, de massamoord op 70 000 zieken en gehandicapten in Duitsland.
Er wordt een gebied gekozen dicht bij de oostgrens van het Generaal-gouvernement om zo de leugen van een “overbrenging van de bevolking naar het oosten” in stand te houden. De kampen worden ver genoeg van het dichtstbijzijnde dorp opgericht, maar hoe dan ook toch direct bij een centrale spoorwegverbinding. Ze hebben allemaal vaste gaskamers, maar geen crematoria.
In elk van hen is er ook een kleine Duitse “speciale eenheid” van 20 tot 30 personen, daarbij nog 90 à 120 Oekraïense, Letlandse of Litouwse bewakers en een arbeidscommando van enkele honderden joden, die de gaskamers moeten opruimen, de doden begraven en de bagage en de kleding inzamelen. Als getuigen worden ze zelf na enkele weken vermoord en hun plaats wordt ingenomen door nieuwelingen.
De ontruiming van de getto's gebeurt met een ongekende brutaliteit. Oude en zieke mensen worden ter plaatse neergeschoten. De acties gebeuren onverwacht en duren gewoonlijk één tot twee dagen, in grote getto's soms zelfs meerdere weken. De transporten uit de districten Krakau en Lvov gaan naar Belzec, vanuit Lublin naar Sobibor, vanuit Warschau en Radom naar Treblinka. De treinen zijn vaak dagenlang onderweg. In de overvolle wagons sterven velen reeds tijdens de rit. Alle overigen sterven onmiddellijk na hun aankomst.
Na de beëindiging van de “Actie Reinhard” legt Globocnik de SS-rijkscommandant Heinrich Himmler een eindbalans voor die rekenschap geeft van de inkomsten van het moordprogramma.
Auschwitz
In de late zomer van 1941 maakt Himmler van Auschwitz (Oswiecim) het centrale uitroeiings- en concentratiekamp van het Derde Rijk. Joden, zigeuners en Sovjetrussische krijgsgevangenen worden hier systematisch vermoord. Het oorspronkelijke kamp, in 1940 voor politieke gevangenen uit Polen opgericht, wordt verder uitgebouwd. Bovendien worden in Birkenau en Monowitz nog twee andere kampen gebouwd. De bouwwerken alleen al kosten het leven aan 8 000 gevangenen. In het voorjaar van 1942 beginnen in Birkenau de selecties voor de gaskamers. Gelijktijdig bereidt men de bouw van nieuwe en grotere dodingsinstallaties voor. In de eerste helft van 1943 zijn ze klaar. De massamoord wordt geïndustrialiseerd.
Vier grote installaties die met de modernste technieken zijn uitgerust, gaskamers en crematoria van nog nooit geziene afmetingen, elektrische liften voor het lijkentransport en het gebruik van cyclon B maken van Auschwitz-Birkenau een enorme fabriek van de dood.
In 1944 wordt een spoorwegverbinding tot in het kamp aangelegd, net als bij een industriële installatie. De goederentreinen voeren de mensen met duizenden aan en transporteren hun bezittingen, die eerst worden gesorteerd door een grote groep van 700 gevangenen, naar Duitsland. Het baar geld gaat naar de rijksbank, de winterhulporganisatie krijgt de kleding en de schoenen. Zelfs de haren, het goud uit de tanden en de as van de beenderen worden opnieuw gebruikt.
Ouderen, gehandicapten, mensen die een bril dragen en moeders met kinderen worden onmiddellijk na hun aankomst vergast. Gezonde, sterke jonge mannen en vrouwen die door de SS-arts tot dwangarbeid worden aangeduid, worden het kamp binnengeleid. In augustus 1944 worden in de drie hoofdkampen en in de 40 bijkampen 185 000 gevangen vastgehouden. Plannen voor de bouw van bijkomende uitroeiingsinstallaties en een vergroting van het kamp Birkenau tot meer dan het dubbele kunnen niet meer worden gerealiseerd.
De selectie op het laadperron hangt niet alleen af van de fysieke toestand van de gedeporteerden, maar ook van de capaciteit van het kamp en de behoefte aan arbeidskrachten op het moment van aankomst van het transport. In de zomermaanden, wanneer er buiten moet worden gewerkt, laat men procentueel gezien wat meer mensen in leven, in de winter is dit aantal beduidend kleiner. In elk geval wordt de meerderheid van diegenen die juist zijn aangekomen onmiddellijk gedood. Maar zelfs van de 400 000 gevangenen die in de registratielijsten van het kamp zijn opgenomen, leven er aan het einde van de oorlog nog slechts 60 000. Op deze plaats alleen al wordt het totale aantal slachtoffers geschat op 1,5 miljoen. Met Auschwitz heeft het NS-regime zelf voor een gepast moment gezorgd.
Het leven in een concentratiekamp
In het door Hitler bezette Europa zijn er ontelbare kampen van allerlei aard, categorie en grootte: de werkkampen, de transitkampen, de krijgsgevangenenkampen en de concentratiekampen (KZ) met hun ontelbare nevenkampen, waarin politieke gevangenen uit alle Europese landen worden vastgehouden. De namen Dachau, Sachsenhausen, Buchenwald, Flossenbürg en Mauthausen, Ravensbrück, Natzweiler, Neuengamme, Stutthof en Groß-Rosen worden synoniemen voor verschrikking. Daarnaast bestaan er ook nog de vernietigingskampen waar buiten een Duitse eenheid bewakers en een joods werkcommando niemand leeft. Er zijn maar 2 kampen die tegelijkertijd concentratie- en vernietigingskamp zijn, namelijk Majdanek nabij Lublin en vooral dan Auschwitz-Birkenau.
De selectie beslist niet over leven en dood, maar enkel over het tijdstip van de dood. Sommigen worden onmiddellijk vermoord, anderen worden eerst als arbeidskracht uitgebuit, tot ze lichamelijk helemaal uitgeput zijn. In de taal van de SS heet dit “vernietiging door arbeid”. Voor drie tot vier rijksmark per dag verhuurt het Duitse Rijk zijn slaven aan talrijke ondernemingen uit de zware industrie. Eind 1944 bedragen de inkomsten maandelijks meer dan 50 miljoen rijksmark.
Totaal ontoereikende voeding en kledij, de primitiefste huisvesting in barakken, catastrofale hygiënische omstandigheden, urenlange appels in alle weersomstandigheden en de onmenselijke behandeling door de opzichters bepalen het dagelijkse leven in een kamp. Barbaarse disciplinaire straffen, die gaan van het verbod op eten tot opsluiting in een staancel en van pijnbank tot de galg, scheppen een sfeer van aanhoudende terreur. Binnen de gevangenenhiërarchie staan de joden onderaan de ladder.
Na drie tot hooguit zes maanden is de gevangene aan het einde van zijn krachten. Als hij niet sterft of uit wanhoop zelfmoord pleegt, dan wordt hij bij één van de gevreesde “naselecties” als arbeidsonbekwaam verklaard en gedood door een Phenolinjectie of vergast. Alleen wie op de administratie van het kamp, bij het hospitaal of in de keuken kan werken, heeft een kans te overleven. Meer dan een miljoen mensen van alle naties vinden de dood in de concentratiekampen.
De SS-kampartsen selecteren niet enkel hele transporten voor de vergassing en houden niet enkel toezicht op de lijfstraffen en de terechtstellingen. Ze voeren ook nog een reeks medische experimenten op levende mensen uit. Dat doen ze voor militaire doeleinden, voor het onderzoek rond de “rassenhygiëne” en in opdracht van de farmaceutische industrie. Ook dit is voor velen een weg naar de dood.
Opstand in het getto van Warschau
De joden zijn niet zomaar passieve slachtoffers. Hoewel ze weerloos zijn, weren ze zich toch waar, hoe en zolang ze kunnen. En dit hoewel zij in moeilijkere omstandigheden verkeren dan andere verzetsgroepen in het bezette Europa. Omdat de psychische vernietiging het uitgesproken doel van de NS-politiek is, wordt elke handeling in de strijd om te overleven, elke inbreuk op henzelf of op hun bestaansrecht, omgezet in actief verzet tegen de Duitsers.
In Warschau en Krakau wordt een illegale pers opgericht om de mensen in het getto op de hoogte te houden. In privé-woningen worden stiekem hele klassen voorbereid op de eindexamens. Voedsel, kledij, medicamenten en later ook wapens worden georganiseerd gesmokkeld. In de getto’s verenigen aanhangers van verschillende partijen zich in ondergrondse verzetsbewegingen, waaruit later de eerste gevechtsgroepen zullen ontstaan.
De grootste gewapende opstand breekt in april 1943 uit in het concentratiekamp van Warschau. Oorzaak: vele overlevenden van de deportaties van de zomer van 1942 die tot dan als fabrieksarbeiders beschermd waren, zullen met hun hele families worden afgevoerd. De SS dacht de strijd maar drie dagen zou duren, uiteindelijk duurt hij bijna een maand. Met machinegeweren, vlammenwerpers, granaatwerpers en veldartillerie behaalt de SS 3 maanden na de nederlaag bij Stalingrad, met moeite een overwinning op 56 000 burgers - mannen, vrouwen en kinderen.
In de getto’s van Bialystok, Vilnius, Czestochova, Krakau en vele andere plaatsen zijn er eveneens gewapende opstanden. Zelfs in de uitroeiingskampen van Sobibor en Treblinka komt het tot strijd met de SS en zijn er ontsnappingspogingen.
In Auschwitz-Birkenau blazen gevangenen zelfs een crematorium op.
De meesten die erin slagen om uit de getto’s en kampen te ontsnappen, aan de vele moordpogingen te ontkomen of uit de deportatietreinen te springen, sluiten zich aan bij de partizanen in de wouden. In Zuid- en Oost-Europa, waar de geografische omstandigheden het toelaten, wordt gewapende strijd gevoerd. In West-Europa concentreert het verzet zich vooral op het verkrijgen van valse papieren, illegale schuilplaatsen en de redding van joodse vluchtelingen naar neutrale landen. Meer dan 1 miljoen joodse mannen strijdt als soldaat in de legers van de geallieerden. Maar het grootste symbool van de weerstand blijft de opstand in het getto van Warschau. De SS filmde deze opstand voor een documentaire tot meerdere eer en glorie van zichzelf.
Het einde
Uiterlijk met de Duitse nederlaag in Stalingrad wordt duidelijk dat de oorlog voor Hitler verloren is. Het Sovjetrussische tegenoffensief is niet meer te stoppen.
Na het einde van de “actie Reinhard”, de jodenuitroeiing in het Generaal-gouvernement, beginnen de moordenaars de sporen van hun misdaden uit te wissen. In de loop van 1943 worden de vernietigingskampen Belzec, Treblinka en Sobibor afgebroken, de moordinstallaties worden verwoest, kampterreinen omgeploegd, boerderijen gebouwd en struiken aangeplant.
Op Himmlers bevel wordt het speciale commando 1005 opgericht, dat de grote massagraven naast de concentratiekampen in Polen en op de executieplaatsen in de Sovjet-Unie opruimt. Grote groepen joodse gevangenen moeten de halfvergane lijken onder SS-bewaking weer opgraven, op grote brandstapels gooien en verbranden, de aarde zeven, de beenderresten vermalen en de as uitstrooien. Vervolgens worden ze als getuigen neergeschoten, net zoals hun lotgenoten in de vernietigingskampen, die in de gaskamers en crematoria werkten. Er mogen noch levende, noch dode getuigen zijn. Maar het plan van de SS blijkt onuitvoerbaar te zijn. Het aantal massagraven is te groot en de Duitse terugtocht te snel. Zo stoot het Rode Leger tijdens zijn opmars naar het westen zowat overal op enorme massagraven.
Ondanks de dramatisch verslechterende oorlogstoestand wordt het vernietigingsproces met verdubbelde inspanning voortgezet, alsof men toch op dit vlak nog een zege wilde halen. Een wedloop tegen de tijd begint. In juni 1944 begint de invasie van de geallieerden in Normandië. Tegelijkertijd worden nog bijna een half miljoen mensen uit Hongarije naar Auschwitz gedeporteerd.
Op 24 juli, vier dagen na de vergeefse poging om door een aanslag Hitler uit de weg te ruimen en zijn regime op het laatste moment toch nog ten val te brengen, bereiken sovjettroepen het kamp Majdanek. Eind augustus zijn de Amerikanen in Parijs. Maar in Auschwitz gaat men nog tot eind oktober door met de vergassingen. Er gaan nog volledige drie maanden voorbij vooraleer het kamp door soldaten van het Rode Leger wordt bevrijd.
De bevrijding
Tijdens de eerste vier maanden van het jaar 1945 volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Terwijl de legers van de geallieerden van alle kanten tegen Duitsland oprukken, vlucht de Duitse bevolking van hele provincies voor het naderende oostelijk front. Maar ook de overlevenden van de kampen die vertwijfeld op het uur van hun bevrijding wachten, worden door de SS gedeporteerd naar het binnenland. Het ene concentratiekamp na het andere in de nabijheid van het oprukkende front wordt ontruimd. De gevangenen van die kampen worden geëvacueerd, zij die niet kunnen lopen worden ter plaatse geëxecuteerd. In geforceerde marsen drijft de SS de grote groepen gevangenen langs provinciewegen; wie in elkaar zakt, wordt door de bewakers doodgeschoten. Anderen worden in goederentreinen van het ene kamp naar het andere getransporteerd. Wanneer de zwerftocht na dagen eindigt, zijn er velen van koude of honger gestorven. In het kamp van Bergen-Belsen, waar de meeste gevangenentransporten heen worden gebracht, is er geen enkele voorziening meer. Kort voor de bevrijding en in de eerste dagen daarna sterven hier nog tienduizenden mensen.
De geallieerde soldaten die in het voorjaar van 1945 de laatste concentratiekampen bevrijden, zien een stuk van de hel. In Buchenwald, Mauthausen of Dachau, overal zien ze dezelfde beelden. Ze stoten op duizenden doden en stervenden. Te laat, en vol afschuw, beseffen Engelse en Amerikaanse legerartsen dat vele gevangenen misschien nog hadden kunnen worden gered. Ze zijn echter gestorven omdat ze te zwak waren om te roepen of zelfs maar een arm op te heffen, zodat men hen ongemerkt tussen de doden heeft laten liggen. Zo eindigt Hitlers “Drittes Reich”.
De overwinning van de geallieerden heeft het nazi-regime verhinderd het uitroeiingsprogramma af te maken. De balans is nochtans huiveringwekkend genoeg. Alle historische onderzoeken en berekeningen komen eensluidend tot het besluit dat vijf tot zes miljoen joden werden vermoord. Meer dan één miljoen kwam om in getto’s en kampen, minstens evenveel stierven als slachtoffer van massa-executies, alle anderen kwamen in de gaskamers terecht.
►
tekst als *pdf-dossier
(169 KB)
|
|
|
|