De historische site

Villa Marlier
   De fabrikant Ernst Marlier (1875-1948) liet in 1914/’15 aan de Grosse Seestraße (later: Am Grossen Wannsee) 56/58 op een terrein van ongeveer 30.000 m2 een privéwoning met een ruimte van meer dan 1.500 m2 bouwen. Als architect wist hij Paul O. A. Baumgarten aan te trekken, die al eerder gebouwen en tuinen in het villadorp had ontworpen, onder andere de villa van de impressionistische schilder Max Liebermann, Am Grossen Wannsee 42.

Friedrich Minoux en de crisis van de republiek
   In 1921 verkocht Marlier zijn villa. De gebouwen, het park, waardevol meubilair en andere objecten uit de woninginrichting werden overgenomen door de ondernemer Friedrich Minoux. Deze medewerker van de Rijnlands-Westfaalse industrieel Hugo Stinnes jr., was tijdens de inflatieperiode rijk geworden met speculatiehandel. Minoux was ook politiek actief: in de crisisjaren na de oprichting van de Weimarrepubliek behoorde hij tot de extreemrechtse, antirepublikeinse kringen die de afschaffing van de democratie eisten. In zijn villa aan de Wannsee organiseerde Minoux op 21 februari 1923 een gesprek tussen de voormalige Generalquartiermeister Erich Ludendorff, een van de meest prominente leiders van extreemrechts, en de chef van de legerleiding (Oberste Heeresleitung), Generalmajor Hans von Seeckt. Op 25 oktober 1923 sprak Minoux in München met Ludendorff en Hitler. Er werd echter geen overeen-stemming bereikt met deze radicale antisemieten: bij de economische stabilisatie van Duitsland door een autoritair regime wilde Minoux geen afstand doen van de medewerking van joodse bankiers. In dezelfde tijd verliet hij Stinnes en bouwde eigen bedrijven op. In 1938 was hij betrokken bij de “arisering” van een bedrijf.

   Deze vorm van uitplundering van joodse eigen-dommen werd tijdens het nationaalsocialisme gelegaliseerd. Andere financiële transacties van Minoux bleven daarentegen ook na 1933 strafbare feiten. Als lid van de raad van toezicht van de Berliner Gaswerke AG (Gasag) verduisterde hij tussen 1927 en 1938 meerdere miljoenen rijksmark. Daarom werd Minoux in 1940 in voorarrest gesteld. Vanuit de gevangenis slaagde hij erin om zijn villa aan de Wannsee voor de marktprijs van 1,95 miljoen rijksmark te verkopen. De koper van het gebouw was de SS-stichting "Nordhav", een mantel-organisatie waarachter Reinhard Heydrich en het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) schuilgingen.

   In 1947 werd het huis overgedragen aan het stadsbestuur van Berlijn, dat het aan de Sozial-demokratische Partei Deutschlands (SPD) verhuurde. Zij vestigde er een opleidingsinstituut ("August-Bebel-Institut")van de partij. Tot de vakreferenten van deze onderwijsinstelling, het August Bebel instituut genaamd, behoorden Otto Suhr, Ernst Reuter en Carlo Schmid. Om financiële redenen moest de SPD het gebouw in 1952 opgeven.

In de volgende decennia was er een Vormingscentrum gevestigd voor scholieren uit Neukölln, de dichtstbevolkte en kinderrijkste wijk van West-Berlijn. Midden jaren zestig wees de historicus Joseph Wulf op de historische betekenis van het gebouw. Wulf, een joodse verzetsstrijder en overlevende van Auschwitz, had jarenlang in studies en docu-mentaties de misdaden van het nationaalsocialisme belicht, daders bij naam genoemd en zo publieke schandalen teweeggebracht. Op initiatief van Wulf werd op 29 augustus 1966 de vereniging Internationales Dokumentationszentrum zur Erforschung des Nationalsozialismus und seiner Folgeerscheinungen (IDZ – Internationaal Documentatiecentrum voor onderzoek naar het nationaalsocialisme en zijn gevolgen) opgericht. Prominente persoonlijkheden uit Oost- en West-Duitsland, Oost- en West-Europa, Israël en Amerika werden lid van de vereniging. Wulf en zijn medestrijders beschouwden het gebouw, waar de Wannsee-conferentie had plaatsgevonden, als een geschikte locatie om een internationaal onderzoeks- en documentatiecentrum op te richten.

   Op de 50e herdenkingsdag van de Wannsee-conferentie, in januari 1992, opende het herinnerings- en studiecentrum “Huis van de Wannsee-conferentie” zijn deuren.